Female Pattern Hairloss (FPHL) komt op elke leeftijd vanaf de puberteit voor. Het komt vaker voor naarmate vrouwen ouder worden: ongeveer 12% van de vrouwen tussen 20 en 29 jaar heeft er last van, en dit loopt op tot zo’n 60% boven de 80 jaar. De aandoening is onschuldig en is meestal geen uiting van een ziekte.
FPHL is de meest voorkomende vorm van haarverlies bij vrouwen. Hierbij worden de haarzakjes geleidelijk kleiner, waardoor dunne, fijne haartjes (vellusharen) ontstaan in plaats van dikke haren. Het haar wordt vooral boven op het hoofd dunner en de scheiding wordt breder; de haargrens blijft meestal intact, maar kan soms ook meedoen. Er zijn verschillende stadia (zie figuur hieronder). Bij FPHL wordt de verdunning van het hoofdhaar in de loop van de jaren meestal erger. Hoe jonger de leeftijd waarop het haarverlies begint, des te erger is het beloop over het algemeen.
Haarverlies kan een grote impact hebben op het zelfbeeld en de kwaliteit van leven, omdat haar een belangrijk onderdeel is van vrouwelijkheid, aantrekkelijkheid en identiteit.
Soms kan de dermatoloog op grond van de klachten en na beoordelen van het haar de diagnose al stellen. Eventueel kan de dermatoloog een aantal haren uit uw hoofd trekken (de zogenoemde haartrektest), het haar met een apparaatje scannen (een zogenaamde trichoscan), of twee plukjes haar met de microscoop bekijken (het zogenaamde trichogram). In een enkel geval wordt onder plaatselijke verdoving een stukje huid weggenomen (een biopt). Bloedonderzoek naar hormonale afwijkingen is alleen nodig wanneer er aanwijzingen zijn dat een teveel aan mannelijke geslachtshormonen een rol speelt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer er sprake is van een onregelmatig menstruatiepatroon, onvruchtbaarheid, ernstige acne (‘jeugdpuistjes’) op latere leeftijd, of haargroei op de kin of de bovenlip. Soms kan ook bloedonderzoek worden gedaan om andere oorzaken van haarverlies uit te sluiten.
Voor diegenen die behandeld willen worden, zijn er enkele mogelijkheden. Echter, het is absoluut onmogelijk om het probleem definitief op te lossen, met andere woorden het is niet mogelijk dat het haar weer helemaal terugkomt en dat het nooit meer dunner wordt. Als er weer meer haar bijkomt door de behandeling dan is dat mooi meegenomen, maar de focus van de behandeling is het tegengaan van verdere verdunning. Zelfs dat lukt lang niet bij iedereen en bovendien moet de behandeling meestal lang worden volgehouden. Stopt men met de therapie, dan is de kans groot dat het haar weer dunner wordt.
De basis van de behandeling is minoxidil 5% schuim, één- tot tweemaal per dag. Dit kan helpen om haaruitval te remmen en de haargroei te stimuleren. Soms wordt ketoconazolshampoo toegevoegd.
Een mogelijke bijwerking van minoxidil is toename van fijne haartjes in het gezicht (hypertrichose).
Als minoxidil onvoldoende werkt, of als er sprake is van hyperandrogenisme (een verhoogd mannelijk hormoon) of verder gevorderde haaruitval, kan een antiandrogeen middel worden toegevoegd. Het voorkeursmiddel is spironolacton. Hierbij worden bloeddruk, nierfunctie en kalium regelmatig gecontroleerd.
Let op: deze middelen zijn niet geschikt tijdens een zwangerschap.
Bij meer gevorderde vormen van haarverlies is een haartransplantatie vaak minder geschikt, omdat het haarverlies dan te diffuus is. Een haarwerk (pruik) kan dan een goed alternatief zijn en wordt soms gedeeltelijk vergoed.

Overige vragen:
073 - 2200 436
Postadres:
Hambakenwetering 15
5231 DD 's-Hertogenbosch